Turfschippers en strokarton: zo werd Veendam wat het nu is

Wie door Veendam loopt of fietst, ziet lange rechte linten, brede diepen en statige huizen die een beetje te groot lijken voor een plaats van deze omvang. Dat is geen toeval. Veendam is gebouwd op turf, groot geworden door de scheepvaart en daarna een tijd draaiende gehouden door de strokartonindustrie. Elk van die periodes heeft sporen achtergelaten die je nog altijd kunt aanwijzen.

In dit artikel lees je hoe die drie ontwikkelingen elkaar opvolgden en versterkten, en waar je ze tegenwoordig nog tegenkomt als je met een geoefend oog door het dorp gaat.

Een dorp uit het veen gegraven

Rond het midden van de zeventiende eeuw was het gebied waar nu Veendam ligt grotendeels hoogveen: nat, onherbergzaam en nauwelijks bewoond. Investeerders en ondernemers zagen er vooral brandstof in. Turf was in de groeiende steden van Holland en Groningen gewild, en wie het veen kon afgraven en vervoeren, kon er goed aan verdienen.

Om het veen te ontginnen werden eerst kanalen gegraven. Langs die waterwegen vestigden zich arbeiders, schippers en later boeren. Zo ontstond de typische veenkoloniale vorm: een lange hoofdvaart met haaks daarop zijwijken, en bebouwing die als een lint langs het water loopt. Die structuur is in Veendam en het naastgelegen Wildervank nog altijd goed te herkennen.

Van turfschuit naar zeeschip

De turf moest weg, en dat ging over water. Turfschippers voeren met hun schuiten naar de stad en namen op de terugweg mest, stadsvuil en andere vracht mee om het afgegraven land vruchtbaar te maken. Zo ontstond een kringloop waarin scheepvaart en landbouw elkaar nodig hadden.

Veel schippers bleven niet bij binnenvaart. In de achttiende en vooral de negentiende eeuw groeide Veendam uit tot een opvallend scheepvaartdorp. Er werden schepen gebouwd op werven langs de diepen, en Veendammer kapiteins voeren naar de Oostzee, de Middellandse Zee en verder. De opbrengst daarvan zie je terug in de ruime kapiteinswoningen die nog langs het water staan.

Strokarton: het tweede leven van de Veenkoloniën

Toen de zeilvaart door de opkomst van stoomschepen terugliep, moest de regio een nieuwe bron van inkomsten vinden. Op de afgegraven veengronden werden veel granen verbouwd, en daarmee was er stro in overvloed. Vanaf de late negentiende eeuw verrezen in de Veenkoloniën fabrieken die dat stro verwerkten tot strokarton, een stevig, geelachtig karton dat veel werd gebruikt voor dozen en verpakkingen.

De strokartonindustrie bood werk aan veel mensen en bepaalde decennialang het ritme van dorpen als Veendam. Het werk was zwaar en de fabrieken roken sterk, maar ze hielden de economie op gang. In de tweede helft van de twintigste eeuw raakte de sector in verval, onder meer door concurrentie van andere kartonsoorten en strengere eisen aan het afvalwater. De meeste fabrieken sloten, maar het verhaal bleef in families en gebouwen bewaard.

Waar je de geschiedenis nu nog ziet

Je hoeft geen historicus te zijn om het verleden van Veendam te herkennen. Met een paar aandachtspunten in je achterhoofd wordt een wandeling of fietstocht meteen een stuk interessanter. Wil je weten wat er op dit moment in en rond het dorp speelt, zoals activiteiten rond erfgoed, dan vind je lokale berichten en verhalen op Nieuws uit Veendam.

  • De lange diepen met lintbebouwing, zoals het Oosterdiep en Westerdiep
  • Ruime kapiteinswoningen die herinneren aan de bloeitijd van de scheepvaart
  • Het Veenkoloniaal Museum, dat de geschiedenis van veen, schepen en industrie in beeld brengt
  • Ophaalbruggen en kademuren die nog verwijzen naar het drukke vaarverkeer
  • De historische spoorlijn tussen Veendam en Stadskanaal, waarop museumtreinen rijden

Een landschap dat blijft vertellen

Ook buiten de bebouwing is de geschiedenis zichtbaar. De rechte kavels, de wijken en de open akkers zijn het directe gevolg van eeuwen veenafgraving. Waar ooit een bruine moerasvlakte lag, staan nu aardappels en graan. Wie vanaf een dijk of brug het land overziet, kijkt in feite naar een door mensenhanden gemaakt landschap.

Die maakbaarheid had ook een keerzijde. Na de turf en de industrie bleef de regio lang worstelen met werkgelegenheid. Juist daarom zijn veel inwoners trots op wat hun voorouders hebben opgebouwd, en wordt het erfgoed met zorg bewaard.